Deel 1: 'In Den Beginne Was Er 'Dobbelschaak'.
Benjamin Franklin (1706-1790), de beroemde Amerikaanse schrijver/ politicus/ wetenschapper (inderdaad: diegene die ging vliegeren tijdens een onweersbui, zo vertelt de legende), schreef dat schaken niet alleen een nutteloos tijdverdrijf was, maar dat 'het leven zelf een soort schaakpartij was: strijd, voor- en tegenspoed, vooruitzien, plannen maken, zoeken naar oplossingen'.
Al honderden jaren spelen mensen schaak: groot en klein, rijk en arm, overal ter wereld.
'Als je kunt schaken, heb je altijd vrienden', zei wijlen mijn grootvader. Via het internet kan iedereen die wil de hele dag online schaken tegen inloggers op het hele web. (De hoofdprijs voor de stoutste, tevens grappigste naam voor een website gaat naar www.redhotpawn.com; doch dit volstrekt terzijde.)
Hoe oud het schaakspel precies is, weet niemand zeker. De oude Egyptenaren, Grieken en Romeinen kenden reeds strategische (oorlogs-) bordspelen (dat weten we door afbeeldingen op vazen etc.). Ook in China en Japan kent men al duizenden jaren een bordspel, waarin twee legers tegen elkaar 'vechten'. Wetenschappers hebben ontdekt dat het schaakspel waarschijnlijk oorspronkelijk uit India komt. Twintig eeuwen geleden werd daar een bordspel gespeeld dat zo verbluffend veel lijkt op ons moderne schaak, dat je gerust mag spreken van het 'oerschaak'.
Het Indiase Chaturanga was niet voor twee, maar voor vier spelers. Speler 1 en 3 speelden samen, tegen speler 2 en 4 (zoals bij Bridge). Zodra de tegenstanders beiden verslagen waren (= de koningen geslagen waren), vochten ze tegen elkaar om de heerschappij.
De legers in India hadden toen niet alleen voetsoldaten (pionnen), maar ook ruiters ( paarden), olifanten met een soldatentoren op de rug (lopers) en strijdwagens (paarden trekken karretje met soldaten) (torens).
De jonge Macedonische koning en veldheer Alexander (de Grote), die rond 330 voor Christus eerst Griekenland veroverde en daarna met zijn leger een rijk stichtte tot Egypte en het hele Midden- Oosten (het rijk verbrokkelde na zijn vroege en dramatische dood onder rivaliserende generaals overigens vrijwel onmiddellijk weer; maar ook dit volstrekt terzijde), trok ook op naar India (pak maar eens een atlas en sta paf!) waar hij met succes slag leverde tegen deze legers. In zijn reisverslag maakt hij een aantekening over deze olifanten. Aanvankelijk wist hij totaal geen raad met deze supertanks, die dwars door en over zijn troepen walsten, totdat hij tot de vinding kreeg de beesten zodanig te verwonden (aan de hiel!) dat ze, dol geworden en op hol geslagen, hun gevechtstorens afwierpen en de eigen troepen gingen verpletteren.
De Indiers hadden een extra leuk aspect aan hun spel toegevoegd, dat er na eeuwen pas uitgefilterd werd: ze speelden met dobbelstaafjes, welke bepaalde met welk stuk gespeeld moest worden, alsof oorlog of vrede, overwinning of nederlaag meer een kwestie van geluk dan van wijsheid. (Het was overduidelijk geen spel voor even geniale als onbegrepen gymnasiasten met brilletjes, maar meer voor ruwe lieden in een havencafe.
Deel 2: Van India naar Perzie
In deel 1 van de minicursus, 'In den beginne was er Dobbelschaak', schreef ik over het oerschaak voor vier spelers plus een dobbelsteen, dat 400 jaar voor Christus werd gespeeld in India. Je kan je er een voorstelling van maken dat dit spel niet echt de aandacht trok van de Indiase intellectuelen. Onder professoren in deze tijd wordt Mens- Erger- Je- Niet immers ook zelden genoemd als favoriet spel.
Wie nou die man (vrouwen kunnen niet schaken, volgens Bobby Fischer, dus dat zal toen ook wel het geval zijn geweest) was die op een regenachtige zondagmiddag ergens in de Antieke Oudheid een keer geen zin had om naar zijn schoonfamilie te gaan, maar besloot een uurtje na te gaan denken om dat populaire dobbelschaak interessant te maken voor jongens en meisje met een bovengemiddeld IQ is niet bekend, maar die man verdient een standbeeld.
Het eerste wat de goede man deed was de dobbelstenen uit het raam gooien. Schaken moest een denkspel worden. Vervolgens leek het hem ook veel interessanter om niet twee- tegen- twee, maar 1 tegen 1 te strijden. De stukken hadden andere namen dan nu en sommige stukken liepen een stuk anders dan volgens de huidige FIDE- reglementen, maar in grote lijnen was het Schaakspel wel af.
In de 6e eeuw na Christus was het schaakspel al bekend bij de Perzen. Het Perzische Rijk zal je niet in een moderne Atlas vinden, maar je moet denken aan het gebied waar nu de landen Irak en Iran ongeveer liggen, al verschoof de omvang van het rijk natuurlijk na elke gewonnen of verloren veldslag. Rond die tijd lijkt het redelijk vredig tussen de beide machtige buren India en Perzie getuige de volgende legende van de dichter Firdusi.
Op een dag verschenen drie wijze mannen uit India bij het paleis van koning Chrosroes. Zij brachten veel geschenken voor hem mee. Er was ook een bijzonder cadeau bij: een schaakspel. De wijzen vertelden dat als de Perzen de spelregels konden ontdekken, er nog meer geschenken zouden volgen. Als de Perzen het niet zouden raden, zo was de afspraak, zouden de Perzen aan de Indiers geschenken geven. Het enige dat de wijzen vertelden waren de namen van de stukken en dat het spel twee legers in oorlog voorstelde. Acht dagen kregen ze de tijd. Uiteindelijk lukte het een slimme vizier (raadgever) van de koning het raadsel op te lossen. Trots liet koning Chrosroes de drie wijzen naar het paleis komen. 'Wij hebben de spelregels ontdenkt', zei hij en daarna liet de vizier zien hoe de stukken liepen.
Of de vizier gelijk had en hoe het verder afliep met die geschenken zegt Firdusi niet. In elk geval werd dat schaken, dat spel tussen twee koningen en hun legers, erg populair in Perzie.
Als je de koning aanviel, moest je 'SJAH' zeggen ('Sjah' betekent 'koning'; er wordt bedoeld: 'pas op voor je koning'). Had je de koning verslagen, riep je 'SJAH- MAT', hetgeen in vertaling is: 'de koning is hulpeloos'. Uit respect voor de koning werd dat stuk nooit geslagen. In een echte veldslag liet de koning die gewonnen had zijn tegenstander altijd leven. Ziezo, heb je ook weer geleerd waar de term 'schaakmat' vandaan komt.
Echt lang hebben de Perzen niet kunnen schaken. In het jaar 641 versloegen de Arabieren de Perzen en de Sjah vluchtte weg om nooit meer terug te keren. De Arabieren ontdekten echter ook al snel de schone kunst van het schaken en rond 800 speelde men in het hele Arabische Rijk schaak, zo'n beetje in het hele Midden Oosten dus.
De Arabische Moslim- wereld beleefde tussen de 8e en de 12e eeuw een grote culturele bloeiperiode. Tot in Noord- Spanje (!) vind je de prachtigste (resten van) Arabische bouwwerken; het Arabische Rijk strekte in die vroege middeleeuwen van Spanje via Egypte tot India. Er zijn verslagen overgebleven van wedstrijden uit die tijd, evenals boeken over de spelregels en boeken met schaakproblemen.